Voor een kruipruimte met water gebruik je meestal een dompelpomp, ook wel klokpomp genoemd. Bij schoon water is een schoonwaterpomp geschikt; bevat het water zand of ander vuil, dan heb je een vuilwaterpomp nodig die de aanwezige deeltjes aankan. Een automatische pomp met vlotter schakelt zelf in als het water stijgt.
De beste keuze hangt vooral af van de hoeveelheid water, de beschikbare ruimte en de plek waar je het water naartoe afvoert. Een pomp verwijdert het water, maar lost de oorzaak van de wateroverlast niet vanzelf op.
Welke pomp voor de kruipruimte past bij jouw situatie?
Een dompelpomp staat in het water en voert het via een slang af. Voor een eenmalige flinke plas kan een eenvoudige pomp die je zelf aanzet voldoende zijn. Komt het water regelmatig terug, dan is een automatisch model praktischer.
- Schoonwaterpomp: geschikt voor water met weinig vuil. Zand en grotere deeltjes kunnen de pomp verstoppen of beschadigen.
- Vuilwaterpomp: geschikt voor water met vuildeeltjes. Hoe groot die deeltjes mogen zijn, verschilt per pomp.
- Vlakzuigende pomp: kan water tot een laag niveau wegpompen. Dat is handig als er een ondiepe laag blijft staan, maar ook deze pomp heeft vaak een minimale waterstand nodig om te starten.
- Pomp met vlotter: schakelt automatisch in en uit. De vlotter heeft bewegingsruimte nodig en kan in een lage kruipruimte tegen de vloer vastlopen.
Bij een lage kruipruimte is niet alleen de hoogte van de pomp van belang. Ook de afvoerslang en de vlotter moeten onder de vloer passen. Een model met een ingebouwde niveausensor kan handig zijn als een losse vlotter te weinig ruimte heeft.
Capaciteit, opvoerhoogte en restwater
De capaciteit geeft aan hoeveel water een pomp kan verplaatsen. De opgegeven maximale capaciteit wordt meestal gehaald als de pomp het water nauwelijks omhoog hoeft te brengen. Moet het water via een slang omhoog en vervolgens een eind weg, dan is de werkelijke opbrengst lager.
De opvoerhoogte is het hoogteverschil dat de pomp kan overbruggen. Meet daarom de hoogte tussen het water en het punt waar de slang uitkomt. Kies een pomp die bij die hoogte nog voldoende water verplaatst, niet een pomp waarvan de maximale opvoerhoogte precies gelijk is aan het hoogteverschil.
Let ook op de minimale startwaterstand en het restwaterniveau. De eerste bepaalt hoe diep het water moet zijn voordat de pomp kan beginnen. Het tweede geeft aan hoeveel water kan achterblijven. Een gewone pomp krijgt een dun laagje water vaak niet weg.
Een pomp veilig gebruiken onder de vloer
Zet de pomp stabiel op een stevige ondergrond, zodat hij geen los zand opzuigt en niet omvalt. Leg de afvoerslang zonder knikken en zorg dat het water niet terugstroomt naar de woning of overlast bij buren veroorzaakt. Voor de afvoer naar een riool of sloot kunnen lokale regels gelden.
Water en elektriciteit zijn een gevaarlijke combinatie. Gebruik een geschikte aansluiting met aardlekschakelaar en houd stekkers en verbindingen droog. Schakel de stroom uit voordat je de pomp aanraakt of verplaatst. Is er kans dat elektrische onderdelen onder water staan, schakel dan eerst de stroom uit op een droge plek en laat zo nodig een elektricien komen.
Ga een kruipruimte niet in als je een gaslucht ruikt of rioolwater vermoedt. Laat de situatie dan eerst door een deskundige beoordelen.
Veelgestelde vragen over een kruipruimtepomp
Kan de pomp blijven draaien als het water weg is?
Niet iedere pomp kan tegen drooglopen. Een automatische pomp schakelt normaal uit bij een lage waterstand, maar een vlotter kan blijven hangen. Maak de pomp en de vlotter daarom regelmatig schoon.
Is permanent grondwater wegpompen verstandig?
Niet altijd. Als grondwater steeds opnieuw toestroomt, kan een pomp vaak aanslaan en veel water afvoeren. Langdurig verlagen van de grondwaterstand kan gevolgen hebben voor de omgeving of fundering. Laat bij aanhoudende overlast de oorzaak en een passende oplossing beoordelen.
Waarom pompt de pomp weinig water weg?
Een geknikte slang, een vervuilde aanzuigopening of te veel hoogteverschil kan de opbrengst beperken. Ook kan de waterstand onder het niveau liggen waarop de pomp nog kan aanzuigen.
Voor een ondiepe plas is vooral de minimale startwaterstand van belang. Bij terugkerend water weegt ook mee of de automatische schakelaar vrij kan bewegen en bereikbaar blijft voor controle.
